Kruimelpad
Wie vandaag ernstig werk wil maken van de circulaire economie, kan niet om de gebouwde omgeving heen. Hoe we bouwen, verbouwen, verdichten en ruimte organiseren, bepaalt in grote mate ons materiaalgebruik, onze klimaatimpact en de leefkwaliteit van buurten en steden. Circulair bouwen gaat daarom over veel meer dan materialen alleen. Het gaat ook over de vraag of we wel moeten bijbouwen, hoe we bestaande gebouwen langer en beter kunnen gebruiken, en hoe we ruimte zo kunnen plannen dat wonen, werken, voorzieningen en natuur elkaar versterken in plaats van verdringen.
Tijdens de SPARKLE-school in Calenzano kreeg ik de kans om hierover in gesprek te gaan met lokale en regionale beleidsmakers uit verschillende Europese landen. De school draaide expliciet rond de vraag hoe circulaire economie en lokale klimaatstrategieën elkaar kunnen versterken, met aandacht voor circulair bouwen, resource-wise planning, bodemgezondheid en inclusieve planning. Theorie en praktijk kwamen er samen: van beleidskaders en inspirerende voorbeelden tot terreinbezoeken en groepswerk over een circulaire toekomst voor Calenzano.
door Elmar Willems
Van circulair bouwen naar circulaire stadsontwikkeling
In Vlaanderen Circulair benadrukken we al langer dat circulair bouwen een systeembenadering vraagt. Het gaat over efficiënt en effectief gebruik van hulpbronnen, waarbij niet alleen materialen, maar ook water, energie én ruimte als kostbare hulpbronnen worden beschouwd. Die benadering reikt verder dan het ontwerp van één gebouw. Ze raakt ook aan gebiedsontwikkeling, aanpasbaarheid, hergebruik van bestaand patrimonium, koppeling van stromen op wijkniveau en nieuwe vormen van samenwerking tussen overheden, ontwerpers, eigenaars, financiers en gebruikers. De echte hefboom ontstaat wanneer circulaire principes niet alleen in gebouwen, maar ook in ruimtegebruik en stadsontwikkeling worden geïntegreerd.
Dat is belangrijk, want de ruimteclaims in onze steden en gemeenten nemen toe. Wonen, energie, mobiliteit, waterbeheer, ontharding, vergroening en economische ontwikkeling concurreren vaak om dezelfde vierkante meters. In zo’n context volstaat het niet om alleen ‘beter te bouwen’. We moeten ook minder bouwen waar dat kan, bestaande gebouwen slimmer inzetten, functies combineren, leegstand activeren, sloop vermijden en ontwerpen met verandering in gedachten. Adaptieve gebouwen, meervoudig ruimtegebruik en een doordachte koppeling van materiaal-, water- en energiestromen maken steden veerkrachtiger, betaalbaarder en toekomstbestendiger.
Die bredere blik levert ook meer meerwaarde op, met positieve effecten op het vlak van klimaatmitigatie, meer economische veerkracht, herstel van omgevingskwaliteit, nieuwe lokale samenwerking, meer betrokkenheid van gemeenschappen en een hogere leefkwaliteit in steden. Circulaire stadsontwikkeling zou dus geen niche voor pioniers moeten zijn, maar een concrete strategie om maatschappelijke opgaven in samenhang aan te pakken.
Calenzano: lokale visie in de praktijk
Calenzano, een kleine stad in een verstedelijkte regio in Toscane, nabij Firenze, toont hoe een lokaal bestuur met ruimtelijke instrumenten en stedelijke regeneratie kan sturen op een zuiniger gebruik van ruimte. Tijdens de school lichtte de stad haar methode van crediti edilizi toe: een compensatiemechanisme binnen het gemeentelijk ruimtelijk beleid waarbij bouwrechten kunnen voortkomen uit de sloop van niet-passende of incoherente gebouwen en onder voorwaarden elders worden ingezet. De stad heeft daarvoor een officieel register en een uitvoeringsreglement opgezet, als instrument om de uitvoering van het ruimtelijk beleid transparant te ondersteunen.
Daarnaast zet Calenzano in op stedelijke vernieuwing via het PINQUA-project, dat publieke huisvesting, publieke ruimte en voorzieningen met elkaar verbindt. Het project omvat de vernieuwing van sociale woningen, de creatie van bijkomende wooneenheden, de aanleg van een nieuw plein, de versterking van verbindingen met publieke ruimtes en diensten, en de uitbreiding van de bibliotheek en andere gemeenschapsvoorzieningen. Daarmee wordt circulaire en klimaatrobuuste gebiedsontwikkeling tastbaar: niet als los gebouwproject, maar als samenhangende herinrichting van een stedelijk weefsel.
Wat ik in Calenzano vooral opnieuw bevestigd zag, is dat lokaal beleid het verschil kan maken wanneer het circulaire principes koppelt aan concrete ruimtelijke keuzes. Niet alleen door duurzame materialen te stimuleren, maar ook door sloop en nieuw ruimtebeslag kritisch te bekijken, bestaande structuren te valoriseren, collectieve voorzieningen slim te organiseren en burgers en stakeholders te betrekken in het proces. Circulaire stadsontwikkeling vraagt dus niet alleen technische kennis, maar ook bestuurlijke visie, samenwerking en volgehouden leerprocessen.
Van visie naar houvast: nuttige kaders voor lokale besturen
Lokale besturen hoeven daarbij niet van nul te beginnen. Internationaal ontstaan steeds meer bruikbare richtlijnen om circulariteit in ruimtelijke planning en ontwikkeling te verankeren. Zo gingen partners in het Europese Interreg KARMA-project aan de slag met de koppeling tussen circulariteit en lokaal klimaatbeleid in de gebouwde omgeving, met diverse nieuwe beleidsplannen en projecten tot gevolg, zoals een circulaire school in Bensheim, Duitsland.
Ook de recente Britse richtlijn voor mayoral strategic authorities is een sterk voorbeeld. Ze helpt overheden om circulariteit als kernprincipe op te nemen in groeiplannen en ruimtelijke ontwikkelingsstrategieën, met aandacht voor het langer in gebruik houden van materialen, herstel en hergebruik, sociale meerwaarde en ondersteuning van lokale circulaire economieën. De boodschap is duidelijk: circulariteit hoort niet aan de zijlijn van beleid, maar in de kern van strategische planning.
Dichter bij huis bestaan verdient de GRO-tool aanbeveling. Het biedt de drie Belgische gewesten een gemeenschappelijk duurzaamheidskader voor bouw- en renovatieprojecten. De tool helpt opdrachtgevers en ontwerpteams om ambities te formuleren, duurzame keuzes door te trekken in ontwerp en uitvoering, en projecten te beoordelen op objectieve criteria. In de meest recente versie krijgt circulair bouwen bovendien een volwaardige plaats, met aandacht voor recuperatie, ruimtelijke omkeerbaarheid, technische omkeerbaarheid en levenscyclusanalyse. Dat maakt GRO bijzonder relevant voor overheden die circulariteit concreet willen opnemen in hun bouw- en renovatieopdrachten.
Interessant is ook de ontwikkeling van de circulaire bouwstandaard van Delft. Die vertaalt circulariteit naar meer concrete prestatie-eisen en indicatoren voor onder meer materiaalgebonden CO2-uitstoot, herkomst van materialen en losmaakbaarheid. Los van het precieze juridische statuut is vooral de richting relevant: steden zoeken steeds vaker naar manieren om circulariteit niet alleen als ambitie, maar ook als toetsings- en ontwerpkader te gebruiken. Dat helpt om verwachtingen te verduidelijken en de stap te zetten van inspirerende visie naar meer structurele toepassing.
Ruimte maken voor een andere bouwpraktijk
De les uit Calenzano is helder: wie circulair wil bouwen, moet ook circulair durven plannen. Minder ruimtebeslag, meer hergebruik, adaptieve gebouwen, sterke publieke kaders en gebiedsgerichte samenwerking zijn geen aparte sporen, maar onderdelen van éénzelfde transitie. Voor lokale besturen ligt daar een krachtige hefboom. Niet omdat ze alles zelf in handen hebben, maar omdat zij mee de spelregels, ambities en samenwerkingen kunnen vormgeven. Als we circulaire economie echt willen laten landen in de gebouwde omgeving, dan begint dat niet pas op de werf, maar al bij de ruimtelijke visie op wijk, stad en regio.
Gerelateerde blogberichten