We horen vaak hoe belangrijk lokale besturen zijn voor een circulaire transitie. En inderdaad, lokaal zijn er heel wat opportuniteiten om de transitie in gang te zetten en te versnellen. Tegelijk zijn er nog heel veel hindernissen die niet lokaal kunnen worden opgelost en zijn de middelen van onze lokale besturen beperkt. Er is dan ook nood aan bovenlokale ondersteuning en samenwerking, zoals we ook zagen in ons onderzoek naar het Burgemeestersconvenant. 

Door: Benoit Ruysschaert, PhD

Het burgemeestersconvenant, wat was dat weer?

Burgemeestersconvenant Logo

Het burgemeestersconvenant, wat was dat weer?

Duizenden Europese steden en gemeenten ondertekenden het burgemeestersconvenant waarmee ze hun engagement toonden om mee te werken aan het behalen van de Europese klimaat- en energiedoelstellingen. In Vlaanderen ondertekende zo goed als alle lokale besturen dit convenant. Dit engagement betekende de uitwerking van een gemeentelijk energie- en klimaatactieplan (SECAP) met daarin alle acties die het lokaal bestuur zou nemen. Na de eerste versie van het convenant die liep tot 2020 kwam er een tweede versie die loopt tot 2030. Het werd versterkt door het Vlaamse Lokaal Energie- en Klimaatpact sinds 2021. Het LEKP formuleerde concrete doelen en voorzag financiële steun voor lokale besturen. Bijna alle lokale besturen deden mee in het Pact. Maar de opmaak van gedetailleerde plannen van gemiddeld 116 pagina’s lang ter uitvoering van het klimaatbeleid was geen eenvoudige opdracht voor de lokale besturen. 

Terug naar de circulaire economie

Op vraag van de VVSG onderzochten Michiel Pauwels van de KULeuven en VITO en ikzelf, toen onderzoeker aan de UHasselt en ULiège, of deze klimaatplannen ook verwezen naar de circulaire economie. Voor het convenant of het LEKP was de circulaire economie geen hoofdthema en werd er enkel gekeken naar lokale energieconsumptie en CO2 uitstoot. Toch is de circulaire economie ook belangrijk voor onze Vlaamse klimaataanpak gezien onze grote materiaalafdruk. Uit de analyse van 262 klimaatactieplannen bleek dat lokale besturen die link veelal ook al maakten. 84% van de lokale besturen maakten de link met de circulaire economie en vernoemde deze gemiddeld 12 keer. Maatregelen voor een circulaire economie gingen vooral over het goede voorbeeld geven door circulair aan te kopen of circulaire principes toe te passen op het eigen patrimonium. 

De invloed van bovenlokale actoren

De analyse van de vermeldingen van circulaire economie in de lokale actieplannen toonde ook aan dat er veel gelijkenissen waren tussen de plannen waar dezelfde bovenlokale actoren hadden meegewerkt. Deze bovenlokale actoren waren de provincie, de streekintercommunale of soms ook beide. Uit interviews met deze actoren bleek dat zij een belangrijke rol hadden in de uitwerking van de lokale plannen. Zo boden ze ondersteuning via workshops en templates. 92% van de lokale besturen werkte samen met bovenlokale actoren. Enkel de grotere steden hadden de middelen om dit zelfstandig te doen. Wie ondersteuning bood verschilde per provincie. In Limburg was dit vooral de provincie, in West-Vlaanderen vooral de streekintercommunales, terwijl in Antwerpen beide ondersteunden. Ook nu spelen deze actoren nog een rol bij de rapportering en het uitvoeren van de plannen. Zo toont het voorbeeld van het burgemeestersconvenant hoe grote uitdagingen lokaal kunnen worden aangepakt door bovenlokaal samen te werken. 

Circulaire donderdagen Waas Circulair Cocon

Ondernemersavond Waas Circulair

De kanttekening hierbij is dat de steun in het proces minder ging over het realiseren van circulair beleid. Met andere woorden: het lokaal klimaat- en energiebeleid kreeg meer handen en voeten, maar vooral met oog voor mobiliteit, energiebesparing en een robuuste, groen-blauwe omgeving. De redenering gaat echter ook op voor (meer) circulariteit op lokaal niveau: bij de ontwikkeling van sociaal-circulaire hubs, het opzetten van ondernemersnetwerken zoals Waas Circulair, en de ondersteuning van de bouwsector of de maakindustrie, is inter- en bovenlokale samenwerking cruciaal geweest. Denk bijvoorbeeld aan de rol van Kamp C in de provincie Antwerpen, of het Circular Materials Center door de POM West-Vlaanderen.

Deze ervaringen nodigen de lokale stakeholders én de Vlaamse overheid uit om bovenlokale krachtenbundeling rond klimaat en circulariteit nog serieuzer te nemen. Al is er maar...

Hoewel de bovenlokale ondersteuning voor veel steden en gemeenten zeer welkom was is er toch ook voorzichtigheid geboden. Zo riskeren kant-en-klare actieplannen voorbereid door provincie of intercommunale lokaal te worden gebruikt zonder deze af te stellen op de lokale context of zonder enige gedragenheid. Dit kan dan weer leiden tot een gebrek aan eigenaarschap van het plan waardoor de uitvoering achterwege blijft.  

De les is duidelijk: bovenlokale actoren mogen het werk van lokale besturen niet overnemen, maar spelen wél een cruciale ondersteunende rol. Ze kunnen kennis, methodieken en samenwerking aanreiken zodat lokale besturen sterker staan in de aanpak van mondiale uitdagingen zoals de transitie naar een circulaire economie.

Liever luisteren? (FR)